Supranationaal versus intergouvernementeel

Landen kunnen op verschillende manieren samenwerken. Twee belangrijke vormen zijn supranationale samenwerking en intergouvernementele samenwerking.

Supranationale samenwerking

Bij supranationale samenwerking dragen landen een deel van hun bevoegdheden over aan een gemeenschappelijke organisatie of instelling. Die instelling kan vervolgens beslissingen nemen die de lidstaten moeten naleven.

De lidstaten behouden dus niet altijd volledig zelf de controle over elke beslissing. Ze hebben afgesproken dat bepaalde bevoegdheden op een hoger, gezamenlijk niveau worden uitgeoefend.

Een belangrijk kenmerk is dat zo’n instelling niet enkel het belang van één land verdedigt, maar het gemeenschappelijke belang van alle deelnemende landen.

Binnen de Europese Unie zie je dit bijvoorbeeld bij de Europese Commissie. De commissarissen vertegenwoordigen niet hun eigen lidstaat, maar moeten handelen in het algemene belang van de Europese Unie.

Een ander voorbeeld is de Europese Centrale Bank, die voor de lidstaten van de EMU beslissingen maakt over het monetair beleid. De leden van de eurozone hebben hun bevoegdheden afgegeven aan de 'bovenstaande' ECB.

Het logo van de Europese Centrale Bank (ECB)

Intergouvernementele samenwerking

Bij intergouvernementele samenwerking werken de regeringen van verschillende landen met elkaar samen. De lidstaten behouden daarbij zelf een sterke controle over de besluitvorming.

De vertegenwoordigers verdedigen in de eerste plaats de belangen van hun eigen land en proberen via overleg tot gezamenlijke afspraken te komen.

Bij belangrijke beslissingen is soms unanimiteit nodig. Dat betekent dat alle deelnemende landen akkoord moeten gaan.

Binnen de Europese Unie zie je dit duidelijk bij de Europese Raad, waar de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten samenkomen, en bij de Raad van de Europese Unie, waar nationale ministers hun regering vertegenwoordigen.

Voorbeelden zijn de NAVO (Noord-Atlantische Verdragsorganisatie) en de Verenigde Naties. Bij beide organisaties werken de landen nauw samen maar maken ze afspraken als afzonderlijke landen en behouden ze een centrale rol in de besluitvorming.

De NAVO is een militair bondsgenootschap van 32 landen uit Europa en Noord-Amerika

De Verenigde Naties is een wereldwijde organisatie bestaande uit 193 landen. Het hoofddoel is het bewaren van internationale vrede en veiligheid.

En de Europese Unie?

De Europese Unie is dus niet volledig supranationaal en ook niet volledig intergouvernementeel. Ze combineert beide vormen van samenwerking.

Sommige instellingen, zoals de Europese Commissie en het Europees Parlement, hebben eerder een supranationaal karakter. Andere instellingen, zoals de Raad van de Europese Unie en de Europese Raad, geven de nationale regeringen een veel grotere rol.

De EU is dus een bijzondere samenwerkingsvorm waarin de lidstaten op sommige domeinen bevoegdheden delen of overdragen, terwijl ze op andere domeinen zelf een belangrijke beslissingsmacht behouden. De uiteindelijke wetgeving die uit de Europese Unie stroomt is meestal bindend van toepassing op al de lidstaten van de Unie, ongeacht of ze akkoord waren bij de stemming of niet, en heeft dus een sterk supranationaal karakter.

Supranationale organisaties zijn relatief zeldzaam vergeleken met intergouvernementele organisaties, wat de EU uitzonderlijk maakt.

Kernpunten:

Supranationaal: beslissingen worden genomen op een hoger, gezamenlijk niveau en kunnen bindend zijn voor de lidstaten.

Intergouvernementeel: regeringen werken samen, maar behouden zelf een belangrijke rol en verdedigen hun nationale belangen.

De Europese Unie combineert beide vormen.